Lustrum

De tijd vliegt om, je hoort dat bijna dagelijks zeggen. Als je ouder wordt lijkt het er op of het nog sneller gaat, maar waarom nu deze inleiding? Welnu, volgend jaar is het een lustrum want dan ben ik 50 jaar vliegvisser en bind al net zolang kunstvliegen, die tijd lijkt ook omgevlogen. Als ik terug kijk op die jaren blijkt dat er heel wat is gebeurd, negatieve- maar ook veel positieve gebeurtenissen.

Hoe is het allemaal begonnen en waarmee?

Het is begonnen, misschien net zoals bij vele anderen, met een schepnetje: vissen op stekelbaarsjes. Met begeleiding van mijn zus struinde ik de kraakheldere wetering af langs de Rijswijkse Van Vredenburgweg. Destijds kwam die uit op de Vliet zoals wij die noemde. Er zaten grote ruisvoorns waarvoor ik nog geen belangstelling had.

Elk voorjaar trokken er boerenkarpers van de vliet de polder in om te paaien. De wetering langs de Van Vredenburgweg was een afvoer wetering van een polder. Veel later heb ik in dat water van dezelfde polder nog boerenkarpers gevangen met de werphengel.

Na wat jeugd avonturen werd het vissen op het derde plan geschoven en was ik niet meer actief. Maar het bloed kruip waar het niet gaan kan. Al eeuwen geleden hadden we al beroepsvissers in onze familie, mijn opa viste en mijn vader. Pas later pakte ik het weer op, toen ik getrouwd was. Wekelijks reden we met een oud Opeltje richting Winkel, St.Pancras of Kolhoorn of naar een andere stek in Noord-Holland om daar op brasem te vissen. Midden in de nacht vertrokken we en de eerste stopplaats voor koffie was uitspanning/restaurant ‘Kop en schotel’. Als je daar om 3 uur ’s nachts binnen kwam wist je niet wat je zag, zo druk was het met vissers. Niet alleen werd daar koffie gedronken maar ook uitgebreid gegeten alsof die vissers uitgehongerd waren.

In oktober begonnen we met snoeken. Toen nog met levend aas, visjes kochten we bij Groeneveld in Nieuwkoop, bij beroepsvisser Been in Hoogmade of bij visser Van Amsterdam die op de Rijndijk woonde nabij Hazerwoude. Ik herinner me nog goed dat Van Amsterdam met een vertrokken gezicht van de pijn, en kromme reumavingers visjes pakte die hij met een schepnet uit een bun had gevist. Op een dag in eind september konden we negens visjes krijgen, het laatste adres was beroepsvisser Been in Hoogmade waar we ook bot vingen. Een aantal van ons ging maar weer terug naar huis, maar vismaat Arie en ik wilde dat niet, we lieten ons afzetten bij de Dwarswetering, die even buiten Hoogmade ligt. Arie zou visjes gaan vangen om met levend aas te gaan vissen.

Zelf zou ik het eens met een Franse Tourbilon spinner gaan proberen die ik bij Gijs de Bas had gekocht, een hengelsportwinkel op de Haagse Gouverneurlaan. Het werpen ging toen nog niet goed, ik kreeg de spinner met moeite weg, maar ving die dag toch drie snoeken. Mijn belangstelling voor kunstaas was gewekt, maar als je daar mee ging vissen was goed werpen wel een voorwaarde, dat bleek wel. Ik las een boekje ‘Uit soepele pols’ waarin het werpen werd beschreven.

Ook hoorde ik dat in het Westbroekpark een vereniging was waar ze het werpen leerde. Het bleek dat ze die lessen startte in het voorjaar maar zolang wilde ik niet wachtte, dus informeerde naar die Casting Club in het Westbroekpark. Het bleek dat ze ’s winters binnentraining hadden in een gymlokaal van een school, bij mij in de buurt. Daar was het dat ik Klaas Pigge ontmoette die instructies gaf. Hij was in de westelijk regio een bekend figuur, een begrip die bijna iedereen heeft les gegeven. Het was Klaas die me leerde hoe je met een tiengrams hengel een overheadworp kon maken.

In Mei 1964 ging ik naar de buitentraining van de Casting Club in het Haagse Westbroekpark. Daar kwam ik in aanraking met het werpen met een vliegenhengel, voor mij alleen maar bekend uit tijdschriften en boeken.

Ik zag daar het werpen met een twee handige zalmhengel, dat interesseerde me eigenlijk veel meer dan het werpen met zo’n lichte vliegenhengel. Met die zware zalmhengel heb ik dan ook leren werpen, pas later met een hengel voor een 5 lijn. Nadat ik het werpen aardig onder de knie had, heb ik mezelf overtuigd dat er met een kunstvlieg vis kon worden gevangen, dat was in het najaar van 1964. In het Noorden, even boven Nieuwkoop huurde ik een boot en ergens op een van de duizend plasjes die het Noorden rijk is, ving ik mijn eerste rietvoorn. Hij was niet groter dan 25 cm. Ik ving hem aan een Cock-y-Bondhou, een vlieg bedacht voor het vissen op forel. Toen was ik pas overtuigd dat je met de vlieg vis kon vangen.

Hierna kwam de interesse in het binden van vliegen, maar het bleek dat snel dat daar nauwelijks lectuur over was. Ik ging in die tijd veel naar clubs waar het vliegbinden gedemonstreerd werd, las heel veel Engelse en Amerikaanse lectuur en leerde daar uit. Na een aantal jaren had ik het aardig onder de knie en ook materialen kennis die je als vliegbinder toch echt wel nodig hebt. Dat wordt heel vaak onderschat. In die tijd viste ik zo veel ik kon, niet alleen in Nederland maar ook in het buitenland. De volgende fase was het bedenken van lesmateriaal, met behulp daarvan heb ik jaren lang les gegeven in vliegbinden.

Op een dag deed ik een uitspraak dat ik graag een boekje wilde schrijven over vliegbinden. Een collega ging daar gelijk op in en wilde dan de foto’s daarvoor maken. In 1979 werd het boek ‘200 Vliegbindtips’ uitgegeven door Elsevier. Het is heel lang het best verkochte boek geweest over dat thema.

Na circa vijf en twintig jaar dacht ik dat het tijd was om iets anders te schrijven. ‘Vliegen, vissen vangen’ dat Kees ketting schreef met behulp van Henk Peeters was toen al meer dan twintig jaar oud, daarna was er niets meer uitgegeven. Na drie jaar hard werken lukte het om het boek ‘Vliegbinden & vliegvissen’ uitgegeven te krijgen, de eerste druk was binnen een jaar uitverkocht. Daarna volgde er nog drie drukken van dat boek en ook nog een aantal anderen boeken. In totaal heb ik intussen zeven boeken geschreven, hoofdzakelijk over het vliegbinden en ook over het vissen met de vlieg. Daarbij heb ik gebruik gemaakt van eigen ervaringen en in geen van de boeken staan verhalen die niet op waarheid gestoeld of verzonnen zijn.

Ik ben nu ouder, ga nog steeds vissen maar ben niet meer zo fanatiek als weleer. Vliegvissen in eigen land doe ik nog wel, maar het liefste vis ik nog op salmoniden net als destijds.

 

Met regelmaat spreek ik oudere en goede collega binders. Waar die zich het meest over verbazen is het gebrek aan bindtechnieken en vooral materialen kennis van jongere vlioegbinders. Ondanks dat er al heel boeken zijn uitgegeven en regelmatig lectuur verschijnt, en dat vind ik wel wat vreemd.

Er valt dus nog genoeg te leren, door anderen en ook door mij. Ondanks het er soms op lijkt dat we heel veel experts in dit land hebben. Daarom kan ik me heel goed vinden in de woorden die Jan Schreiner eens heeft gezegd: ‘Zij die denken expert te zijn hebben minsten nog 25 jaar nodig om te ontdekken dat in dit vak geen experts bestaan’.