Van nimf tot emerger - deel 2 

In deel 1 van deze serie ging het over de nimfen en de volgroeide insecten van de meivlieg. Hun imitaties kunnen nuttig zijn als je in het voorjaar op forel gaat vissen. Misschien is het een idee om een apart doosje te maken met zulke kunstvliegen. Nimfen van meivliegen leven in gangetjes die ze in de bodem graven, nagenoeg onbereikbaar voor vis en zijn daarom minder interessant.

 

Dat ligt anders voor slibkruipers die bekend zijn bij vliegbinders als Angels Curse of Caënis robusta die tussen plantenresten leven op de bodem. In voorjaar komen ze uit en kan je ze veelvuldig in polders zien. Let eens op hekken in een weiland waar de huidjes op zitten van het subimago (spinner) van dit insect.

 

Huidjes van Caënis subimago’s

 

 

Slibkruipes – groep B

Misschien komt de vraag op hoe het nu zit met het aantal eendagsvliegen in ons land. Voor zover ik weet komen Meivliegen nog maar zelden voor. Zoals gezegd, nimfen en eendagsvliegen van die slibkruipers komen heel vaak voor in onze polders net zoals de snelle zwemmers zoals de Pond Olive (Cloëon dipterum), maar die komen nog ter sprake.

 

 

 

Deze Pond Olive kwam op een warme dag in juli in mijn werkkamer binnen vliegen

In en bij een beek of rivier zie je eveneens slibkruipers die in traag stromende stukken leven van het water met een zachte, modderige bodem. Op de volgende foto is een gedaante verandering te zien van zo’n Caënis. De toevoeging Curse van de naam Angelr’s Curse, zoals ze door vliegvisser worden genoemd, betekend letterlijk vervloeking. Misschien komt dat wel omdat die kleine insecten over al op gaan zitten als ze uitkomen; in je haar, onder je bril, in de oren en ga maar door. Dat kan heel lastig zijn.

Ze hebben een ruwe ondergrond nodig om zich van hun eerste huidje te ontdoen, zoals de palen van een hek of op een vistas zoals op de volgende foto.

 

 

 

Metamorfose van een Caënis (foto: Henrik Jule Petersn- Dk)

 

Je kunt uit de foto opmaken dat ze ook in Denemarken voor komen. De nimfen van dit insect zijn donker bruin soms beige van kleur en lang niet zo mooi als de volgroeide insecten zoals de dun van de foto. Een nimf, heeft een afmeting van circa 6 mm is klein, gedrongen. Het volgroeide insect heeft een lengte van ca. 7 á 9 mm.

 

 

Nimf van een Caënis

 

De nimf is interessant, maar de emerger en de eendagsvlieg des te meer. Het volgende heeft betrekking op het bindpatroon van de Caënis nimf.

 

 

 

 

 

 

 

Caënis nimf

 

Materiaal

Haak                            : Tiemco, TMC100 nummer 16

Verzwaring                   : (vierkant) looddraad medium, aan weerszijde van de haaksteel

Binddraad                     : Bruin 10/0

Staart                           : Grizzle hackle fibers

Ribbing                         : Met watervaste viltstift op zijkant van Crepla strip

Body                            : Beige Crepla foamstrip, conisch gesneden

Thorax                         : Bruine dubbing, daarom een donker bruine herl van een struisvogel veer

Thoraxdekschild           : Bruin gevlekt Thin Skin van 4 mm breed

 

Bindwijze

Klem de haak in de vice. Zet de binddraad in het midden van de haaksteel op. Knip uitende van stukken looddraad schuin af. Smeer de haaksteel in met secondelijm. Leg met de schuine kanten naar de haakbocht aan weerszijde van de haaksteel tot twee mm voor het haakoog, zet het vast met binddraad. Wikkel het draad naar de haakbocht. Bind het staartmateriaal in en de foamstrip. Maak daarvan de body, tot de helft van de haaksteel en zet het eind van de lus vast. Maak nu een lange thorax van een dunne dubbingdraad en wikkel daar om de herl. Houdt ter plaatsen de binddraad langer om daarmee het dekschild vast te zetten. Neem een de Thin skin strip en zet die aan de achterzijde, voor de thorax vast. Zorg dat de uiteinde van het schild rond zijn geknipt. Leg het dekschild strak over de thorax, bind de Thin Skin strip achter het haakoog vast. Door het inbinden komen de punten omhoog te staan. Maak twee afbindknopen en lak die af.

 

Het volgende bindpatroon van de Caënis emerger is niet eenvoudig te binden. Een echte uitdaging, een hoge school opgave voor de vliegbinder om zijn vaardigheden te testen, echt iets voor puristen. Mocht de bindwijze niet duidelijk zijn, stel dan gerust je vragen via http://www.ffinfo.nl via het vak Contact.

 

 

 

 

 

Caënis emerger

 

Materiaal

Haak                            : Gebogen, dun van draad b.v. Partridge K12ST nummer 18- 20.

Binddraad                     : Licht geel 10/0

Staart                           : Wood Duck veerfibers, of uit een taling hackle

Ribbing                         : Zilver, Micro tinsel 6/0 UNI-Products

Body                            : Witte Crepla foamstrip, gesneden van een 2 mm dik plaatje

Vleugel                         : Lichtblauw, Aero Dry Wing of Antron

Hackle                          : Wit

Thoraxdekschild            : Bruin gevlekte Thin Skin strip. 3,5 mm breed

Thorax                         : Donkerbruin SLF dubbing

 

Bindwijze

Klem de haak in de vice. Zet de binddraad in het midden van de haaksteel op en wikkel het naar de haakbocht. Bind het staartmateriaal in. Zet het tinsel op en een conisch gesneden foamstrip. Voor een drijvend type bind je een onderbody in van een foamstrip. Maak daarvan de body, tot 2 mm voor het haakoog en zet het eind vast. Rib de body met het tinsel, zet dat ook met de binddraad vast. Breng de binddraad 4 mm naar achteren, richting haakbocht. Zet nu de toef vleugelmateriaal op. Maak daar een afbindknoop en knip de binddraad niet af en houdt het ten minste 15 cm lang, daarmee wordt straks de Thin skin vast gezet. Zet nu de hackle op. Maak een lus met dubbing en bind daarvan de thorax, zorg ervoor dat je op de kleine haak ruimte achter het haakoog houdt. Wikkel de hackle om de thorax en zet de punt van de hackle achter het haakoog vast. Knip de Thin Skin strip in en de uiteinden iets rond. Leg links en rechts van de vleugeltoef de uiteinden van de Thin Skin strip. De toef steekt dan in het ingeknipte opening. Maak van de 15 cm lange draad afbindknopen om de Thin Skin vast te zetten. Trek dat strak over de thorax, maak afbindkopen en lak die af.

 

Uit het eerste deel en het vervolg blijkt dat het thema entomologie, of wel insectenkunde, de boventoon voert. Dat lijkt misschien een overbodige materie, maar ik kan je zeggen dat deze kennis bijzonder nuttig kan zijn. Het kan behulpzaam zijn om nieuwe vliegen te bedenken. Maak alleen niet de fout, zoals velen dat hebben gedaan, om vliegen met materialen te binden die kleuren hebben die niet natuurlijk zijn en afwijkend zijn. Dat deed ik ook in het begin. Het leidt tot het afsnijden materiaal van de haken waar je ze op gebonden hebt, omdat je het zonde vindt om die vliegen weg te gooien.

Afhankelijk van factoren zoals de temperatuur van het water en het klimatologische omstandigheden komen uit de nimfen gevleugelde insecten. Dat zijn subimago’s of schijninsecten, met gedekte kleuren, zonder glans en pracht, maar ze hebben wel de vorm van een eendagsvlieg. Zodra ze kunnen vliegen zetten ze zich op hekken, takken van bomen of struiken en laten hun vleugels drogen. De eerste vorm vorm is dus een ‘dun’, een vervelling komt uit dezelfde huid het imago die we ‘spinner’ noemen.

 

Wordt vervolgd