De snoek van satan

De Streekbus stopte op de dijk, bij de halte voor het dorp. Er stapte een man uit die nog nagekeken werd door de passagiers die in de bus achterbleven. De man droeg een grote witte hoed - je ziet ze wel eens in Western films. Met zijn spijkerbroek en vest zag hij er eigenlijk ook wel uit als een cowboy; hij zag er goed uit en was door de zon bruingebrand. Nadat de man was uitgestapt bleef hij aan de kant van de weg staan en staarde over het wijde polderlandschap, als of hij wat zocht. Na zeker vijf minuten zo te hebben gestaan wandelde hij in de richting van het dorp. Hij wist kennelijk waar hij heen moest.

Het leek er op of hij bekend was in het dorp. Nauwelijks had hij de eerste huizen gepasseerd toen er een vrouw uit een van de kleine huizen naar buiten kwam lopen. ‘Nee maar, ben jij het John?’ De man bleef staan, draaide zich een halve slag om en keek met een brede grijs in de richting van de jonge vrouw. ‘Dag Ans, je hebt me snel herkend’.

 

John was na lange tijd terug gekeerd naar zijn geboortedorp. Nadat hij cum laude was afgestudeerd was in bosbouw had hij een baan aangeboden gekregen bij een universiteit in de Verenigde Staten. Via Amerika was hij terecht gekomen in verschillende landen en had lang in Zuid-Amerika gewoond.

Het hele dorp was verheugd over de grote stappen die John zette; hij was populair en geliefd, stond voor iedereen klaar en was nooit te beroerd om buren en boeren te helpen bij allerlei werkzaamheden, als die het druk hadden of door ziekte niet uit de voeten konden. John was ook populair bij de dames door zijn knappe uiterlijk.

Na een kort gesprek nam hij afscheid van Ans, hij wilde doorlopen om snel naar huis te gaan. Eindelijk stond hij voor het trapje dat naar het huis voerde dat beneden de dijk stond. Oog in oog met het huis waar hij geboren en opgegroeid was, de deur zwaaide open. Een vrouw rende naar buiten: ‘John ben jij het echt?

‘Ja mam.’ ‘En voorlopig ben je niet van me af, want ik ben met verlof’

Ze vloog hem om zijn nek en knuffelde hem als of hij nog een kind was’, zo blij was ze dat haar zoon weer terug was. Regelmatig had hij haar geschreven. Ze was alleen. John had op jeugdige leeftijd zijn vader verloren en zijn broers waren al jaren geleden naar een ander plaats getrokken om werk te zoeken. John ging op de bank zitten die voor het huis stond en zijn moeder kwam aan met een mok koffie. Hij om zag dat zijn roeiboot nog steeds verderop afgedekt in de brede wetering lag. Het dekzeil was wat groen van de alg.

‘Heeft Bertus de boot nooit gebruikt?’ vroeg John verbaast.

‘Ja, maar niet veel. Hij zou toevallig dit weekend komen om het zeil en de boot schoon te maken’.

‘Bertus vist bijna niet meer sinds dat voorval’, ging zijn moeder verder. ‘Hij is veranderd’. John knikte en even dwaalde zijn gedachten naar de gebeurtenis van zes jaar geleden.

John en Bertus waren onafscheidelijk en in hun jeugd jaren de schrik van het dorp. Op school hingen ze het beest uit, maar ze waren nooit te beroerd om iets te doen voor een ander. Daardoor hadden ze krediet opgebouwd bij de ingelanden en dorpsbewoners en dat was maar goed ook. Anders hadden ze veel meer problemen gehad dan ze soms al hadden. In de zomer, herfst en winter zwierven ze door de polder en stroopten en visten, ook in de aangrenzende polder die in handen was van een beroepsvisser. In het begin had hij ze vaak achterna gezeten maar toen hij eenmaal wist dat ze geen vis meenamen, kneep hij een oogje toe, ondanks dat er soms verdacht weinig paling in zijn fuik zat. John en Bertus zetten zelf ook fuiken, rookten hun paling die ze verkochten om een extra centje te verdienen. Daarvan hadden ze de boot gekocht.

Toen ze van de basisschool kwamen trokken ze minder met elkaar op. John ging naar het V.W.O. in Rotterdam en Bertus bezocht een andere school, ze zagen elkaar nog alleen in het weekend. Maar gevist werd er.

Het was intussen laat geworden. John zat vol verhalen en had de tijd genomen die te vertellen. De telefoon ging; ‘Het is voor jouw.’

John nam de hoorn over en nadat hij zijn naam genoemd had knalde zijn trommelvlies bijna door de luide schreeuw van… Bertus. ‘Hoe is het met je ouwe jongen!’ Een lang gesprek volgde. ‘Gaan we vanavond een pilsje drinken bij Tinus?’

Tinus was de eigenaar van de enige kroeg die het dorp rijk was.

‘Ja, okay Bertus, dat is goed ik ben er om half acht’

Toen John de kroeg de kroeg binnenkwam leek het er op of er een welkomstcomité georganiseerd was. Het weerzien met Bertus was bijna emotioneel. Vele handen werden geschut, en er werd bier gedronken, veel bier. John had niet of nauwelijks de gelegenheid om even met Bertus alleen te zijn. De deur van de kroeg ging open een beeldschone jonge vrouw stond in de ingang. John herkende Anneke waarmee hij jarenlang met de bus naar school was gegaan. Hij viel even stil bij het zien van Anneke. Ze was heel veel veranderd, in haar voordeel. Ze begroeten elkaar hartelijk.

‘Hoe weet jij nu dat ik terug ben?. Een retorische vraag want in het dorp verspreide het nieuws zich als een lopend vuurtje.

‘John mijn broer werkt momenteel als journalist bij een krant en hij zou je heel graag een interview afnemen over die gebeurtenis van zes jaar geleden, wil je daaraan meewerken?

‘Ik kan daar niet alleen over beslissen, Bertus heeft daar ook een stem in’ Ging John verder.

‘Dat zei Bertus ook al, want ik heb het al met hem daarover gehad’.

‘Okay, als Bertus het goed vindt doen we dat, laat hij me maar bellen voor een afspraak.’

‘Wim komt dan met Jaap mee John’

‘Wim Alphenaar? Leuk, want die heb ik ook in jaren niet gezien.

De volgende dag belde Jaap voor een afspraak en in aansluiting kreeg ik weer een telefoontje.

 

Een week later troffen we Bertus en John in het café. We zaten er al vroeg en dronken koffie. Plotseling zei John tegen Bertus; ‘Heb je het nog?’

Net toen Bertus knikte ging de deur van de kroeg open en kwam Jaap binnen. Hij was in ook in het dorp geboren, daar opgegroeid en kende beiden heel goed. De begroeting was hartelijk.

‘Jij wilt over het verhaal van de snoek schrijven, he?’ zie John. ‘Okay, maar ik wil het wel zien voordat het gepubliceerd wordt’. Jaap ging daarmee akkoord, ik knikte. We gingen in de hoek van het café zitten en John begon te vertellen hoe ging die dag.

Bertus loopt het trapje af naar het huisje waar ik met mijn moeder woont. Ik zie hem al komen en doe de deur open. We gaan vissen. ‘Zachtjes’, zegt ik: ‘mijn moeder slaapt nog’. Ik pak m’n lunchpakket, loop naar buiten en sluit de deur. ‘Ik heb de visspullen al in de boot gelegd’ zeg ik tegen Bertus en we lopen naar de boot die bij het steigertje ligt. ‘We gaan helemaal naar achteren, naar die put Bert, ik heb de buitenboordmotor al aan de boot gezet.’

‘Je weet dat we daar niet mogen vissen Johny’. Niemand vist daar zelfs de beroepsvisser niet. Ik heb gehoord dat hij bang is om daar te vissen, hij zegt dat het daar niet pluis is.’

‘Weet ik, maar ik denk dat daar een knots van een snoek zit’.

Dat water ligt in het land van gekke Arie en die wil dat daar niet wordt gevist’, antwoordt Bert. ‘Als hij iemand ziet wordt hij gek en komt helemaal naar de put om vissers weg te jagen. Die man is gestoord. Hij leeft trouwens als een kluizenaar’.

We varen de lange wetering af en de boezem op die midden in de polder ligt. Na een meter of honderd varen, stuur ik de boot de wetering in die aan het eind smaller wordt en op de put uit komt.

 

Toen we weg gingen was het bewolkt, maar het lijkt er op dat er onweer in de lucht zit, donkere wolken pakken samen. Bij de put aangekomen, leggen we de boot vast, stappen uit en tuigen de hengels op. ‘Ik ga het eerst met de streamer proberen Johny’.

Met een lange worp serveert Bert de streamer in het midden van de put en vist hem binnen. Die worp levert niets op en ook de tweede worp niet. Nogmaals proberen. De streamer heeft net een halve meter afgelegd toen de vlieg met een geweldige klok wordt genomen. Zijn hengel staat kogel rond. ‘Hangen schreeuw ik’.

Bert vangt de eerste felle vluchtpoging van de snoek op met de hengel en dat lukt . Nog steeds is de snoek gehaakt. Met een machtige sprong komt de snoek het water uit, wat een kanjer. ‘Die moet minstens 1 meter 20 zijn, schreeuw ik tegen Bert’.

Ik moet schreeuwen want de wind is opgestoken. We schrikken ons rot van de luide knal en bliksemschicht die het land verlicht. De hemel wordt langzaam inktzwart. Ik loop naar de boot om een landingsnet te halen. De oevers zijn drassig en het zal lastig worden om naar de kant te gaan en de snoek in de nek te grijpen. Snel ren ik terug met het net en de regenkleding – die zal ook niet overbodig zijn. Bertus heeft moeite om de snoek die het niet opgeeft, te drillen. Na tien minuten lijkt het er op dat snoek moe wordt en Bert weet de snoek naar de oever te sturen.

Hij weet de snoek met veel moeite midden boven het grote net te krijgen dat ik in het water heb gestoken. Het zal een toer worden om de vis er in te krijgen. Maar de snoek spurt weer naar het midden en na een dril krijg Bert hem weer boven het net. Ik haal het op en de snoek glijdt in het net, we hebben mazzel dat dit gelukt is want eigenlijk is het net te klein. Weer wordt de hemel verscheurd door een knal, een flits en het begint keihard te regenen. Intussen heb ik het net met de snoek een eind van de kant in het gras gelegd. We trekken snel de regenjassen aan, wel wat laat want we zijn al nat.

In de verte zien we een figuur uit de boerderij komen, met een riek in zijn hand. Dat zal gekke Arie zijn. Snel onthaken we de snoek en laten die in het water glijden nadat ik hem nog even heb gemeten en een foto heb gemaakt, 1 meter 25! ‘ En dat vangen we in deze polder!’

‘Nu snel naar de boot en er vandoor gaan’, zeg ik tegen Bertus. Wegwezen, voordat Arie hier is. We rennen naar de boot keren hem, starten de motor en varen weg. We kijken om en zitten versteend in de boot. Arie staat bij de put met gebalde vuisten. Het lijkt er op of er een lichtkrans om hem heen is of hij gloeit. We geloven onze ogen niet en horen hem schreeuwen: ‘Ik pak jullie nog wel’.

Snel varen we de wetering uit. De lucht klaart op en het onweer is weg getrokken als sneeuw voor de zon, onbegrijpelijk. ‘Hoe bestaat dat?’ Vraag ik Bert; ‘Droom ik?’ Bert is er stil van, onder de indruk van het natuurgeweld, de snoek of de verschijning van Arie die we in de verte nog met zijn riek zien zwaaien?

‘Ik denk dat we hier voorlopig maar niet meer heen moet gaan’, zeg ik. Arie heeft ons vast wel herkend want wij zijn de enige die door de hele polder vissen.

Jaap heeft het verhaal gelaten aangehoord. ‘Maar het gaat nog verder. We zitten een uur of negen hier in de in de kroeg’

‘En toen? John verteld verder.

‘Het was noodweer. Onweer en regen nodigde niet bepaald uit om even naar huis te gaan. Er was niemand verder hier in de kroeg. Plotseling gaat met een ruk de deur op en een verwilderd figuur staat in de ingang. Een krans van licht is er om de figuur als of hij wordt verlicht.

Tinus staat als versteent achter de tap en trekt wit weg en wij aan onze tafel geloven onze ogen niet, dit is angstaanjagend. Een bulderende stem schalt door de kroeg.

‘Jullie zijn te ver gegaan’. En hij wist naar ons. ‘Jullie hebben geluk dat je mijn snoek hebt terug gezet ‘, schreeuwt hij. ‘Dat pleit voor je en de figuur wijst naar Bertus en daarvoor zal ik je toch nog belonen:’ Hij gaat met zijn hand in zijn zak en werpt Bertus een blinkend muntstuk toe.

Als in een reflex vangt Bertus de munt. ‘Heet!!!’, schreeuwt-ie en werpt met een klinkende vloek de munt weg. De figuur is weg en als we bij onze positieven zijn gekomen loop ik naar de openstaande deur om te zien waar hij is gebleven. Niets te zien!

We hebben later dat muntstuk niet meer kunnen vinden.

Jaap zit ons ongelovig aan te kijken. ‘leuk verhaal, maar dit hebben jullie zeker gedroomd?

‘Heb je het nog?, vraag John aan Bertus. Bertus draaide zijn rechterhand om en in de palm van zijn hand ziet Jaap een litteken, een afdruk van een ronde brandplek zo groot als een euro.

Zelf had ik die plek nooit gezien, maar wel het verhaal geloofd dat John me destijds verteld had. Grote snoeken? Zet ze maar liever terug. Je weet nooit wat er gebeurd.